Foto's van vandaag

''Kom morgen terug, werkelijkheid!''

2/5/2013: Geen dagboekaantekening. 
Het is nu voorbij. Het is 3 februari 2014 en het is geloof ik werkelijk voorbij. 
Het eerste wat ik schreef na m’n dagboek van deze reis, was in Australië, toen ik al werk had gevonden. Dat was weken later. De laatste 72 kilometer had ik door de nacht gelopen, van Riverton naar Invercargill. Ik kon niet stoppen, ik moest door. Over het asfalt kwam ik om één uur aan in Invercargill waar Martin in een hostel sliep. De nacht bracht ik door op een bankje in een park. M’n voeten deden zelden meer pijn dan toen. 
In de ochtend ontmoette ik Martin weer. We waren beiden blij elkaar te zien. We hebben ontbeten en we vertrokken naar Bluff. Het zijn de lelijkste en de mooiste kilometers. Het gaat allemaal over een provinciale weg. Er is niets aan. Je ziet Bluff al heel lang liggen en je ziet hoe de weg er eerst nog van wegdraait. M’n voeten heb ik zelden zo kapot gelopen. Ik weet niet of ik alles had gelopen als ik alleen was geweest die dag. Ik weet wel dat de voldoening van iets afmaken nog nooit zo groot had gevoeld. 
Dit was waar we twee en halve maand naar onderweg zijn geweest, zeiden we soms. Maar dat is niet waar. We waren nergens naar onderweg. De drang om van noord naar zuid te lopen was niets anders dan iets om je aan vast te houden. Iets dat me een richtlijn gaf, een doel. De werkelijk reis zit hem uiteraard in het verplaatsen, in het zelden langer dan één dag op een plek zijn, in de mensen die je onderweg ontmoet, maar veelal gaat het om de reis die je in jezelf maakt, hoe cliché dit ook klinkt. Cliché’s zijn nare dingen omdat ze waar zijn. 
Als mensen me vragen waarom en hoe, dan vind ik het lastig het ze uit te leggen. Ik weet eigenlijk niet zo goed wat mensen willen horen als ze er naar vragen. Ik weet niet wat ik wil vertellen want het is nog altijd te groot om te vertellen. Ik weet niet wat ik heb proberen te zeggen met dit alles wat ik op heb geschreven. Met alle woorden die ik (bijna) letterlijk uit m’n dagboek overnam. 
Zie, het aankomen op een plek heeft me nooit gelukkig gemaakt. Aankomen in Istanbul was niet fijn, aankomen in Nieuw-Zeeland was niet fijn. Ik ben het gelukkigst in een permanente staat van onderweg zijn. Geen einde willen bereiken maar dit einde wel in je hoofd houden zodat je weet welke richting je op moet gaan. Maar er nooit komen. Altijd vlak voor je iets bereikt zeggen: stop, dit is niet het einde, kijk maar, daar, daar verder, daar ligt nog een einde, dus dit einde bestaat niet. 
Ik heb mezelf vaak afgevraagd of ik hierna nog gelukkiger was dan toen. Als ik teruglees wat ik geschreven heb, dan denk ik niet dat ik gelukkig was toen ik hier aan het lopen was. Als ik terugdenk, zie ik mezelf vaak gelukkig voor me. Het is waar, het heeft bepaald waar m’n volgende reis heengaat. Over minder dan twee maanden vertrek ik naar Israël om 1000 kilometer te lopen. 
Alleen zijn. We zijn te weinig alleen. Ik zou meer alleen moeten zijn. 

2/5/2013: Geen dagboekaantekening. 

Het is nu voorbij. Het is 3 februari 2014 en het is geloof ik werkelijk voorbij. 

Het eerste wat ik schreef na m’n dagboek van deze reis, was in Australië, toen ik al werk had gevonden. Dat was weken later. De laatste 72 kilometer had ik door de nacht gelopen, van Riverton naar Invercargill. Ik kon niet stoppen, ik moest door. Over het asfalt kwam ik om één uur aan in Invercargill waar Martin in een hostel sliep. De nacht bracht ik door op een bankje in een park. M’n voeten deden zelden meer pijn dan toen. 

In de ochtend ontmoette ik Martin weer. We waren beiden blij elkaar te zien. We hebben ontbeten en we vertrokken naar Bluff. Het zijn de lelijkste en de mooiste kilometers. Het gaat allemaal over een provinciale weg. Er is niets aan. Je ziet Bluff al heel lang liggen en je ziet hoe de weg er eerst nog van wegdraait. M’n voeten heb ik zelden zo kapot gelopen. Ik weet niet of ik alles had gelopen als ik alleen was geweest die dag. Ik weet wel dat de voldoening van iets afmaken nog nooit zo groot had gevoeld. 

Dit was waar we twee en halve maand naar onderweg zijn geweest, zeiden we soms. Maar dat is niet waar. We waren nergens naar onderweg. De drang om van noord naar zuid te lopen was niets anders dan iets om je aan vast te houden. Iets dat me een richtlijn gaf, een doel. De werkelijk reis zit hem uiteraard in het verplaatsen, in het zelden langer dan één dag op een plek zijn, in de mensen die je onderweg ontmoet, maar veelal gaat het om de reis die je in jezelf maakt, hoe cliché dit ook klinkt. Cliché’s zijn nare dingen omdat ze waar zijn. 

Als mensen me vragen waarom en hoe, dan vind ik het lastig het ze uit te leggen. Ik weet eigenlijk niet zo goed wat mensen willen horen als ze er naar vragen. Ik weet niet wat ik wil vertellen want het is nog altijd te groot om te vertellen. 
Ik weet niet wat ik heb proberen te zeggen met dit alles wat ik op heb geschreven. Met alle woorden die ik (bijna) letterlijk uit m’n dagboek overnam. 

Zie, het aankomen op een plek heeft me nooit gelukkig gemaakt. Aankomen in Istanbul was niet fijn, aankomen in Nieuw-Zeeland was niet fijn. Ik ben het gelukkigst in een permanente staat van onderweg zijn. Geen einde willen bereiken maar dit einde wel in je hoofd houden zodat je weet welke richting je op moet gaan. Maar er nooit komen. Altijd vlak voor je iets bereikt zeggen: stop, dit is niet het einde, kijk maar, daar, daar verder, daar ligt nog een einde, dus dit einde bestaat niet. 

Ik heb mezelf vaak afgevraagd of ik hierna nog gelukkiger was dan toen. Als ik teruglees wat ik geschreven heb, dan denk ik niet dat ik gelukkig was toen ik hier aan het lopen was. Als ik terugdenk, zie ik mezelf vaak gelukkig voor me. Het is waar, het heeft bepaald waar m’n volgende reis heengaat. Over minder dan twee maanden vertrek ik naar Israël om 1000 kilometer te lopen. 

Alleen zijn. We zijn te weinig alleen. Ik zou meer alleen moeten zijn. 

Dagboek 3/2/2013, Hauroko Burn Hut.Plots wist ik het gisteravond. Waarom zou ik de south coast track lopen? En ik kan niet ontkennen dat ik het enkel zou doen voor het lijntje op de kaart. Ik denk dat het klaar is. Als we iets niet voor onszelf doen, moeten we het niet doen. Het is klaar. 
Morgen lift ik naar Riverton vanwaar ik naar Bluff loop. Dat worden de laatste 72 kilometer. 
Ik lees oude National Geographics die ouder zijn dan ik. ”Home is the most magical dream in the world”, besluit een artikel over massa migratie.Het regent zacht buiten en Ben en Lukas komen aanlopen. 
Het waren de meest intense maanden die ik geleefd heb. Nooit eerder heb ik zolang achter elkaar me met niets and dan de dag van vandaag beziggehouden. De wereld en de natuur waar ik me in bevond maakte me ook bewuster van mezelf. Van m’n denken, m’n gevoelens en verlangens. 
Aan het eind zijn dingen sneller voorbij gegaan dan ik dacht. Ik was altijd met de dag van vandaag en hooguit morgen bezig. Het heeft me geholpen. Ik dacht zelden aan Bluff, tot de laatste twee weken. Toen wilde ik niets liever dan Bluff bereiken. 
Deze dag duurt lang. Het is wachten op dat waar je zo naar verlangt. 
Wat ga ik doen als ik in Bluff aangekomen ben? Blijf ik nog in Bluff? Ik weet het allemaal niet. Ik weet niets behalve dat ik bijna klaar ben. 
3/2/2013: Wachten op de boot. 

Dagboek 3/2/2013, Hauroko Burn Hut.
Plots wist ik het gisteravond. Waarom zou ik de south coast track lopen? En ik kan niet ontkennen dat ik het enkel zou doen voor het lijntje op de kaart. Ik denk dat het klaar is. Als we iets niet voor onszelf doen, moeten we het niet doen. 
Het is klaar. 

Morgen lift ik naar Riverton vanwaar ik naar Bluff loop. Dat worden de laatste 72 kilometer. 

Ik lees oude National Geographics die ouder zijn dan ik. ”Home is the most magical dream in the world”, besluit een artikel over massa migratie.
Het regent zacht buiten en Ben en Lukas komen aanlopen. 

Het waren de meest intense maanden die ik geleefd heb. Nooit eerder heb ik zolang achter elkaar me met niets and dan de dag van vandaag beziggehouden. De wereld en de natuur waar ik me in bevond maakte me ook bewuster van mezelf. Van m’n denken, m’n gevoelens en verlangens. 

Aan het eind zijn dingen sneller voorbij gegaan dan ik dacht. Ik was altijd met de dag van vandaag en hooguit morgen bezig. Het heeft me geholpen. Ik dacht zelden aan Bluff, tot de laatste twee weken. Toen wilde ik niets liever dan Bluff bereiken. 

Deze dag duurt lang. Het is wachten op dat waar je zo naar verlangt. 

Wat ga ik doen als ik in Bluff aangekomen ben? Blijf ik nog in Bluff? Ik weet het allemaal niet. Ik weet niets behalve dat ik bijna klaar ben. 

3/2/2013: Wachten op de boot. 

Dagboek 2/2/2013, Halfway hut, ochtend. De tweede van februari. De dag dat ik al m’n ontbijt op at. M’n eerste ontbijt zal de middag van vier februari zijn en zal bestaan uit mueslirepen. 
Gisteravond lag ik buiten op een matras sterren te tellen. Ik viel half in slaap, voelde hoe m’n slaapzak nat werd van de lucht, en ik ging naar binnen. Binnen had ik m’n binnentent opgezet zodat ik niet morgenochtend wakker word van zandvliegen in m’n slaapzak. 
Zou Martin al bijna in Bluff zijn? Hij vertrok de 26ste, ik een dag later. Het zou leuk zijn als we elkaar nog een keer zien. 
Hoe laat zou het zijn? Half twaalf? Ze zeiden dat het vier uur lopen is naar de laatste hut. Ook vandaag is er geen haast. Nog minder haast dan alle dagen achter me. Hoe langer ik hier wacht, hoe sneller de dag straks voorbij is. Hoe sneller het avond is. Hoe sneller de nacht komt. 
Dag zeven sinds ik vertrok uit Manapouri. Het voelt zoveel langer. Maar nee, het klopt wel. Een week. Er is een week voorbij en ik heb nog heel even te gaan. 
- Hauroko burn hut, avond.De twijfel! Ik weet niet meer wat ik wil. Of ik de route af wil lopen over de south coast track of gewoon, gewoon, ja, gewoon zo snel mogelijk naar Riverton lift morgen en ‘s avonds begin met lopen aar Invercargill en Bluff. Ik weet het niet. Ik weet het werkelijk niet. O, de wanhoop. Nog een dag in deze hut morgen, misschien komen Ben en Lukas aan, en o, ooo… 
2/2/2013: De dusky beëindigd. Klaar. Nu twijfelen over de laatste kilometers. 

Dagboek 2/2/2013, Halfway hut, ochtend. 
De tweede van februari. De dag dat ik al m’n ontbijt op at. M’n eerste ontbijt zal de middag van vier februari zijn en zal bestaan uit mueslirepen. 

Gisteravond lag ik buiten op een matras sterren te tellen. Ik viel half in slaap, voelde hoe m’n slaapzak nat werd van de lucht, en ik ging naar binnen. Binnen had ik m’n binnentent opgezet zodat ik niet morgenochtend wakker word van zandvliegen in m’n slaapzak. 

Zou Martin al bijna in Bluff zijn? Hij vertrok de 26ste, ik een dag later. Het zou leuk zijn als we elkaar nog een keer zien. 

Hoe laat zou het zijn? Half twaalf? Ze zeiden dat het vier uur lopen is naar de laatste hut. Ook vandaag is er geen haast. Nog minder haast dan alle dagen achter me. Hoe langer ik hier wacht, hoe sneller de dag straks voorbij is. Hoe sneller het avond is. Hoe sneller de nacht komt. 

Dag zeven sinds ik vertrok uit Manapouri. Het voelt zoveel langer. Maar nee, het klopt wel. Een week. Er is een week voorbij en ik heb nog heel even te gaan. 

- Hauroko burn hut, avond.
De twijfel! Ik weet niet meer wat ik wil. Of ik de route af wil lopen over de south coast track of gewoon, gewoon, ja, gewoon zo snel mogelijk naar Riverton lift morgen en ‘s avonds begin met lopen aar Invercargill en Bluff. Ik weet het niet. Ik weet het werkelijk niet. O, de wanhoop. Nog een dag in deze hut morgen, misschien komen Ben en Lukas aan, en o, ooo… 

2/2/2013: De dusky beëindigd. Klaar. Nu twijfelen over de laatste kilometers. 

Dagboek 1/2/13, Ochtend
Ik ontdek een ritme in m’n emotionele gesteldheid. Ik voelde me zwak rond het eind van december en de eerste drie dagen van van januari. Het is nu weer het eind van de maand dat ik zo naar thuis verlang. We zijn immers nooit in staat onze volledige capaciteit te gebruiken. Ze pieken allemaal op andere momenten.

Iets in m’n lichaam jeukt. Het is de opwinding die er niet uit kan. Het is de energie die nog nergens voor  gebruikt kan worden. Wat is het? Heeft het te maken met het feit dat sneller lopen geen zin heeft, dat ik tot de vierde zit opgesloten hier? Dat als ik had gekund ik al in het zuiden was geweest? Wachten, dat is het enige dat ik kan doen. Het is alsof ik op school intens verlangde naar de vakantie maar nog twee weken naar school moest. 

Als ik klaar ben mag ik bekomen van zoveel schoonheid. Hoef ik me even niet meer te verwonderen. Dan mag ik voor even onverschillig zijn tegenover schoonheid. Zie, een mens is niet in staat zo intens te leven. Z’n hoofd heeft eerder rust nodig dan z’n lichaam. Het is of m’n hoofd niet langer zoveel schoonheid aankan. Ik weet niet meer wat ik ermee moet. Daarom moet ik hier weg, omdat ik niet langer meer van de schoonheid kan genieten zoals eerst. 

- Halfway hut, avond.
Het was kort. Iets meer dan drie uur naar de hut. Net toen ik dacht dat áls ik mensen tegen zou komen, het vandaag zou zijn, aangezien de boot op donderdag en maandag gaat, kwam ik mensen tegen. Het waren de twee jongens die ik in het hostel in Te Anau ook had ontmoet. Ik vroeg of ze wisten of Ben en Lukas ook waren gestart, en ze konden me vertellen dat ze waarschijnlijk een dag achter me liepen. 

Later kwam ik nog een Duitse man tegen. Het was de eerste keer in vijf dagen dat ik mensen zag. 

In de hut keek ik naar mezelf en zag ik hoe dun ik ben geworden. Veel dunner dan nu zal en kan ik niet meer worden. 

Ik schrijf graag over andere plaatsen omdat ik in m’n hoofd even verdwijn. Ik vergeef het mezelf. 

1/2/2013: Korte dag, makkelijk om te lopen. Morgen naar de laatste hut. 

Dagboek 31/1/2013, Lake Roe Hut.
De regen van gisteravond zette niet door. Het is ook vandaag droog, maar er zijn wolken die niet boven de toppen van de bergen uitkomen. Pas om half één was ik m’n slaapzak uit. Ik maakte ontbijt. Water koken, melkpoeder erbij, een kop muesli erin. Het is niet slecht, ik kon er zelfs wel van genieten. Maar nu is genieten van eten niet zo heel moeilijk meer voor me. 

Wanneer ik zoals nu naar Soko luister moet ik altijd denken aan de dagen tussen Stewart Island en Greymouth/Australië. Het is al een half jaar geleden, maar ik ruik de kou nog van de winter, en ik zie nog voor me hoe ik in m’n tent met -5 naast Lake Moke sliep en de mooiste ochtend had. Dat waren, los van deze twee en halve maand, absoluut de mooiste weken reizen. 

Welke muziek zal me later aan hier doen laten denken? Joshua James? Jake Bugg? Keane? M83? Het is allemaal zo vreemd. 
Ik las in een tijdschrift gister dat het niet tot jaren later is voor we weten welke invloed een reis op ons leven heeft gehad. Ik realiseerde me dat we inderdaad nu niet weten wat dit allemaal met ons doet, maar dat dat vrijwel altijd zo is. 
Ik wil graag geloven dat het waar is. Dat we langzaam, beetje bij beetje, begrijpen wat we ervan geleerd hebben. Dat het besef in stukjes kom. Dat ik na 8 maanden plots zie hoe Stewart Island het begin was van het verlangen naar een lange reis ter voet. En dat ik bij het beslissen van m’n volgende reis deze reis meeneem in m’n beslissing. Maar ook in m’n alledaagse leven, in het thuiskomen, in het bepalen wanneer naar huis te gaan. 

Er zijn nog twee dagen te lopen hier. Twee dagen die niet heel lang zullen zijn. Het is bijna klaar, werkelijk. Wanneer ik klaar ben zal het twee en halve maand zijn sinds ik vertrok uit Picton. Twee en halve maand is een lange tijd om lopend te reizen. Het is, vooral aan het eind, de intensiteit van de manier van leven, het gebrek aan voldoende rust, gebrek aan ontspanning. Het is alsof dat anderhalve maand heel goed kan gaan, maar daarna zakt alles plots in elkaar. Alsof ik twee weken op het randje heb gelopen. 

- Avond
Een gat in de wolken, een sterrenhemel. Ik poets m’n tanden, was m’n pan af. De maan verlicht de wolken aan de achterkant. Laat het morgen zo kalm zijn als nu. Ik val in slaap en droom over de zuidkust en de zonsondergang van vanavond. 

31/1/2013: Rustdag in de hut. Boek uitgelezen. 

Dagboek 30/1/2013, Loch Maree Hut.Er is een moment dat je niet meer genoeg eten mee kunt nemen. Je zal het moeten doen met een constant verlangen naar eten, een chronische honger. Het is onmogelijk om genoeg te eten. Zelfs de minimale 2500kcal krijg je zelden binnen. 
Het is de vierde mooie ochtend op rij. Ik loop straks naar Lake Roe hut, naast - inderdaad - Lake Roe. Op zo’n 1000 meter. M’n neus doet al een paar dagen pijn. De bloedneus die ik had een week of wat geleden wilde niet herstellen. Het is een teken dat m’n lichaam moe is, niet goed meer herstellen wil. Het vreemde is dat ik me niet heel moe voel, maar merk dat ik moe ben aan de manier waarop ik loop, denk eet. Het is misschien ook wel meer een geestelijke vermoeidheid. 
M’n handen jeuken van de zandvlieg beten. Ze zaten zelfs in m’n slaapzak vanmorgen. Ik had m’n binnentent over het matras moeten zetten, dat had veel gescheeld. Gisteravond viel ik langzaam in slaap. Je merkt dat je wegdroomt, je bent je ervan bewust en op dat moment ben je weer wakker maar je zakt weer heel snel weg. Je hebt bijna door hoe je gedachten overgaan in dromen en hoe je bij jezelf wegdrijft. 
Niet willen lopen. Vijf tot zeven uur, slechts. Het is middag en warm buiten. Rond een uur of twee, dan ga ik wel. Dan ben ik met de avond boven bij de hut en is het licht mooier en minder warm. Want werkelijk, het is warm. Het ruikt naar de zomer buiten. de afgelopen dagen vanaf Te Anau, zie ik de schoonheid weer van de zomer. Lang wilde ik alleen maar winter, maar nu ik hier de zomer voel herinner ik me hoe de zomer thuis was en hoe fijn die kan zijn. Dagen van boeken lezen in de tuin en buiten eten. Van open deuren en komkommers en zonnebrand. 
Ja, opeens lijkt de zomer me weer een mooie tijd om thuis te zijn. Een fijne tijd om thuis te zijn. Om dingen met mensen te doen en dor de stad te slenteren. 
Waar komt deze weerzin tegen het lopen vandaan? Is het dan werkelijk zo dat ik alleen nog maar klaar wil zijn? Dat ik geen plezier meer heb in het onderweg zijn in de bossen?Is het de Dusky track die me niet bevalt? Ik kijk naar de blauwe lucht met wat witte wolken, hoe ze langzaam bewegen en hoe mooi dat is. In Loch Maree alle dode bomen. M’n kleren zijn vies, ze stinken. Het maakt me niet meer uit. Ik luister Delta Spirit, weet niet langer meer waar ik aan moet denken. Alles loopt op dit moment door elkaar, in m’n hoofd. Ik wil thuis komen, ik wil werken in Australië, ik wil rusten, naar het zuiden lopen. Ik wil een zomer met vrienden, ik wil gezelschap. Ik wil hier nooit meer weg en ik wil hier nooit meer terugkomen. Liefde en nooit meer verliefd worden. 
- Avond, Lake Roe Hut,Het zien van de westkust, van de zee, heel ver weg, gaf me een gevoel van vrijheid zoals ik het zelden eerder ervoer. Het is de zuidkust nog niet, maar ik realiseerde me plots hoe ver ik al ben gekomen. En ook al was de dag niet fijn, ik ben blij dat ik hem vandaag heb gelopen. De uitzichten waren mooi, de lucht blauw met wit en de zon brandend. De hut staat inderdaad op een prachtplek. Het is niet erg om hier morgen nog een dag te blijven. 
Het begon een uur geleden met regenen 
Het is nu 00:00 uur, 31 januari. De laatste dag van de maand. M’n kaars is bijna op dus ik moet zo gaan slapen. Honger. Die constante honger, en vandaag het verlangen naar pannenkoeken. 
Er lag hier een boek over de zoektocht naar rendieren die volgens een mythe nog altijd zouden leven in Fiordland. Lang geleden zijn ze los gelaten, overgebracht uit Canada. Ze zijn daarna nog zelden gezien, ze mochten worden afgeschoten maar elke keer dat dat gebeurde was het groot nieuws. Ze weten precies hoeveel er zijn afgeschoten. Er zijn nog altijd mensen opzoek naar die beesten, ze zijn er heilig van overtuigd dat ze er zijn. Voor mij geeft het enkel aan hoe dichtbegroeid het hier is, dat dieren in staat zijn onzichtbaar te blijven. 
30/1/2013: Wilde niet beginnen. Lichaam voelde de hele dag zwak. Mooi om de westkust te zien. 

Dagboek 30/1/2013, Loch Maree Hut.
Er is een moment dat je niet meer genoeg eten mee kunt nemen. Je zal het moeten doen met een constant verlangen naar eten, een chronische honger. Het is onmogelijk om genoeg te eten. Zelfs de minimale 2500kcal krijg je zelden binnen. 

Het is de vierde mooie ochtend op rij. Ik loop straks naar Lake Roe hut, naast - inderdaad - Lake Roe. Op zo’n 1000 meter. 
M’n neus doet al een paar dagen pijn. De bloedneus die ik had een week of wat geleden wilde niet herstellen. Het is een teken dat m’n lichaam moe is, niet goed meer herstellen wil. 
Het vreemde is dat ik me niet heel moe voel, maar merk dat ik moe ben aan de manier waarop ik loop, denk eet. Het is misschien ook wel meer een geestelijke vermoeidheid. 

M’n handen jeuken van de zandvlieg beten. Ze zaten zelfs in m’n slaapzak vanmorgen. Ik had m’n binnentent over het matras moeten zetten, dat had veel gescheeld. 
Gisteravond viel ik langzaam in slaap. Je merkt dat je wegdroomt, je bent je ervan bewust en op dat moment ben je weer wakker maar je zakt weer heel snel weg. Je hebt bijna door hoe je gedachten overgaan in dromen en hoe je bij jezelf wegdrijft. 

Niet willen lopen. Vijf tot zeven uur, slechts. Het is middag en warm buiten. Rond een uur of twee, dan ga ik wel. Dan ben ik met de avond boven bij de hut en is het licht mooier en minder warm. 
Want werkelijk, het is warm. Het ruikt naar de zomer buiten. de afgelopen dagen vanaf Te Anau, zie ik de schoonheid weer van de zomer. Lang wilde ik alleen maar winter, maar nu ik hier de zomer voel herinner ik me hoe de zomer thuis was en hoe fijn die kan zijn. Dagen van boeken lezen in de tuin en buiten eten. Van open deuren en komkommers en zonnebrand. 

Ja, opeens lijkt de zomer me weer een mooie tijd om thuis te zijn. Een fijne tijd om thuis te zijn. Om dingen met mensen te doen en dor de stad te slenteren. 

Waar komt deze weerzin tegen het lopen vandaan? Is het dan werkelijk zo dat ik alleen nog maar klaar wil zijn? Dat ik geen plezier meer heb in het onderweg zijn in de bossen?Is het de Dusky track die me niet bevalt? 
Ik kijk naar de blauwe lucht met wat witte wolken, hoe ze langzaam bewegen en hoe mooi dat is. In Loch Maree alle dode bomen. M’n kleren zijn vies, ze stinken. Het maakt me niet meer uit. Ik luister Delta Spirit, weet niet langer meer waar ik aan moet denken. Alles loopt op dit moment door elkaar, in m’n hoofd. Ik wil thuis komen, ik wil werken in Australië, ik wil rusten, naar het zuiden lopen. Ik wil een zomer met vrienden, ik wil gezelschap. Ik wil hier nooit meer weg en ik wil hier nooit meer terugkomen. Liefde en nooit meer verliefd worden. 

- Avond, Lake Roe Hut,
Het zien van de westkust, van de zee, heel ver weg, gaf me een gevoel van vrijheid zoals ik het zelden eerder ervoer. Het is de zuidkust nog niet, maar ik realiseerde me plots hoe ver ik al ben gekomen. 
En ook al was de dag niet fijn, ik ben blij dat ik hem vandaag heb gelopen. De uitzichten waren mooi, de lucht blauw met wit en de zon brandend. De hut staat inderdaad op een prachtplek. Het is niet erg om hier morgen nog een dag te blijven. 

Het begon een uur geleden met regenen 

Het is nu 00:00 uur, 31 januari. De laatste dag van de maand. M’n kaars is bijna op dus ik moet zo gaan slapen. Honger. Die constante honger, en vandaag het verlangen naar pannenkoeken. 

Er lag hier een boek over de zoektocht naar rendieren die volgens een mythe nog altijd zouden leven in Fiordland. Lang geleden zijn ze los gelaten, overgebracht uit Canada. Ze zijn daarna nog zelden gezien, ze mochten worden afgeschoten maar elke keer dat dat gebeurde was het groot nieuws. Ze weten precies hoeveel er zijn afgeschoten. Er zijn nog altijd mensen opzoek naar die beesten, ze zijn er heilig van overtuigd dat ze er zijn. 
Voor mij geeft het enkel aan hoe dichtbegroeid het hier is, dat dieren in staat zijn onzichtbaar te blijven. 

30/1/2013: Wilde niet beginnen. Lichaam voelde de hele dag zwak. Mooi om de westkust te zien. 

Dagboek 29/1/2013, Loch Maree Hut. 
De eindeloze twijfel. Morgen zou ik naar Supper Cove kunnen lopen, om de volgende dag weer terug te lopen en hier uit te komen. Maar zie, ik zou het enkel doen omdat ik spijt zou kunnen krijgen dat ik het niet gedaan heb. Ik voel me niet echt om er heen te lopen. Ik heb geen zin in een lange dag. 

Ik kan vooral denken aan de dag dat ik Bluff bereik. Ik verlang zo naar het einde. Vanmiddag dacht ik aan hoe ik de laatste twee dagen in één dag zou kunnen lopen. 

Vandaag was een saaie dag. Het was niet moeilijk, maar de tijd ging zo langzaam. Het was gewoon bos, langs een rivier, met nog meer bos en modder. 
Ondanks alles ben ik blij dat ik hier ben. Ik denk dat het de goede beslissing was om de Dusky track te lopen. 
Het lopen is een bijzaak geworden, maar het is nodig om me te verplaatsen. Het is enkel nog het middel om in het zuiden te komen. Ik loop enkel nog omdat het moet. Als ik niet over een berg heen moet, dan ga ik er niet overheen. Waarom zou ik 22 kilometer naar Supper cove lopen? Zodat ik die 22 kilometer kan afstrepen? Die 22 kilometer kunnen me gestolen worden. 

De kaars dood de zandvliegen die hier werkelijk verschrikkelijk zijn. O, deze dagen, en hoe ik later zal wensen dat ik er meer van genoten had. Maar m’n hoofd staat niet goed. 
Misschien komt het enkel door de twijfel, door de saaie dag vandaag. Misschien is het morgen allemaal anders, maar vanavond zou ik niets liever willen dan goed eten en een boek lezen in bed. 

Ook vandaag kwam ik niemand tegen. Ik had meer mensen verwacht. Het maakt niet uit. 

Ik zou er veel voor over hebben om nu thuis te zijn., op de bank, laptop op schoot, voor de tv, of met de radio aan. Alleen ik, papa en mama. Ik loop in gedachten naar de keuken om drinken in te schenken, kijk in de kast naar iets te eten dat er niet is. 

Ja, er is iets meer rust, plots. Nog drie dagen Dusky track, dat is goed genoeg. 

Ik ervaar een plezier in het schrijven over thuis zoals ik een rust ervaar tijdens het schrijven van een brief. Als wat ik schrijf hardop wordt voorgelezen in m’n hoofd en ik even niet alleen ben.

Het is elf uur nu, ik zou moeten slapen. Morgen loop ik naar 1100 meter en dat is ook bijna 1100 meter klimmen. Nu weet ik dat ik er niet heel veel moeite mee heb, dat een kwartier per 100 meter stijgen voor mij wel aardig klopt. Voor de vierde dag op rij begin ik dan laat met lopen. Lake Roe hut ligt bovenop, en ik gok zo dat het een mooie locatie is. Morgen komen er uitzichten naar de Dusky sound. 

29/1/2013: Dag voelde heel lang. Twijfel over Supper cove. Loch Maree is mooi en apart met al z’n dode boomstammen. 

Dagboek 28/1/2013, Upper spey hut, ochtend.
Lang in m’n slaapzak blijven liggen. Gisteravond veel brieven geschreven. Mooie ochtend. Veel ontbijt de komende dagen. Een dag van een uur of vijf voor me. Geen zin om de route naar de kust te lopen en weer terug. Gewoon naar de volgende hut, weer een dag afvinken. Vanavond nog maar zes dagen. 

Ik kijk naar de rotzooi die ik heb gemaakt. Vraag me af waar ik m’n mes heb gelaten. Het is elf uur, het is warm, ook buiten. Vergeet m’n kaars niet mee te nemen, en m’n sok. Geniet van je muesli met teveel water, spuit de spray op je armen tegen de zandvliegen. 

Ik verlang naar het einde. Ik wil niet meer lopen. Ik wil geen rijst meer eten. Ik wil niet meer elke dag aan morgen denken en me afvragen hoe ik de dag door zal komen. Het zuiden, ik wil in het zuiden zijn. En daarna wil ik naar Aran en Melissa, om uit te rusten, een paar dagen niets te doen. 

Er is nu een vliegticket naar Sydney voor de 18e. Dan mag er weer werk gezocht worden. Dan moet geld weer gespaard worden. Het zal niet lang duren voor ik een ticket terug naar Europa zal boeken. Dan mag ik daar weer over na gaan denken. Verlangen naar de dag dat ik naar de andere kant van de wereld vlieg. Hoe voelt het om in slaap te vallen en te weten dat je morgen in het vliegtuig stapt en een dag later thuis zal zijn? Waar denk je aan? Aan de dag dat je wegging? Wil ik tegen die tijd naar huis? Is er niets liever dat ik wil? Heb ik het tegen mensen gezegd? Ik kan er eindeloos over nadenken, en nu het zo dichtbij lijkt te komen denk ik er enkel meer en meer aan. 

Ja, ik zou m’n spullen moeten pakken, ik zou moeten gaan lopen, maar ik wil nog niet. Laat me nog even genieten van dit moment. 

De zon schijnt. Ik moet m’n spullen gaan pakken. 

- Kintail Hut, avond. 
Het was geen lange dag, maar omdat ie zo enorm langzaam ging voelde hij als een goede 8 uur. Het koste me vijf en half uur tot de hut, voor 8 kilometer. Het ging steil omhoog aan het begin, maar dat was geen probleem. het werd pas moeilijk toen ik weer naar beneden moest. Ik denk niet dat ik ooit een steilere afdaling heb gehad. Tien meter kostte me soms twee minuten. Het ging werkelijk recht naar beneden soms. 

Ik was blij toen ik bij de hut aankwam. Het was genoeg voor vandaag. Morgen is vooral vlak dus zou een stuk makkelijker moeten zijn. 

Dag twee zit erop. 

O, zoals ik niet kan wachten op het eind! Laat het allemaal achter me liggen, en laat me dan zeggen hoe graag ik dit nog veel langer had willen doen. Maar ik ben op het punt aangekomen dat ik sneller zou gaan lopen als dat betekent dat ik eerder klaar ben. Dat heeft nu nog geen zin, want ik word de vierde opgehaald met de boot. 

28/1/2013: Langzame dag, steilere afdaling dan ooit. Droge voeten. 

Dagboek 27/1/2013, Upper Spey Hut. 
Hoe laat is het? Waarom at ik op dag 1 van de 8 al m’n mueslirepen op toen ik in de hut aankwam? 

Vanmorgen liep ik naar waar de boot vertrok. Ik werd wakker om kwart voor acht, pakte m’n spullen in, checkte het weer voor de komende dagen en vertrok. Het regent hier 200 dagen per jaar, het is nu al een week droog en ik vrees voor regen. Ze zeggen dat nergens meer modder is dan hier maar wie weet valt het mee als het al een week droog is. 

Ik werd een beetje verliefd vandaag op Fiordland. De bossen met hun magie, de rivieren. Ik stelde me voor hoe het moest zijn met dagen van regen en wind. Maar nu, alles zo kalm en rustig! 

27/1/2013: Begonnen aan het einde. De Dusky track onder m’n voeten.